SINT-PIETERS-LE
EUW: – “Sint-Pieters-Leeuw, model voor uitbouw sociale diensten”
Naar aanleiding van ons artikel van 23.04.2015 bezorgde Raf Meert ons volgende tekst.
Op 22 mei jl. maakte het OCMW-bestuur bekend dat een geschikte overnemer werd gevonden voor de buitendiensten poetsdienst en verzorging. Precies 40 jaar nadat ze werden opgericht, zou het OCMW deze diensten door veranderde maatschappelijke en economische inzichten niet langer zelf aanbieden. Binnen enkele dagen vaart de poetsdienst voortaan onder de vlag van WZC Sint-Vincentius. De dienst verzorging- volgt over zes maanden. Bovenstaande titel is dan ook niet vers van de pers, maar komt uit een krant van december 1979. Het is allicht te weinig bekend, maar 40 jaar terug gold Sint-Pieters-Leeuw inderdaad nog als voorbeeld van een vernieuwd welzijnsbeleid. De bekroning van al dat pionierswerk was ongetwijfeld het bezoek op 23 januari 1980 van Hare Majesteit Koningin Fabiola aan rusthuis Wilgenhof aan de Rink en dienstencentrum ‘t Paviljoentje in Ruisbroek.
Als toenmalig OCMW-voorzitter was mijn grootvader Jef Meert (1918-1999) een bevoorrecht getuige van de uitbouw van die sociale dienstverlening. Hij was van 1965 tot 1983 of 18 jaar lang onafgebroken voorzitter van de Leeuwse COO (Commissie Openbare Onderstand) en het latere OCMW (Openbaar Centrum Maatschappelijk Welzijn). Toen in 1973 schepen Julien Vanderschueren plots overleed, werd hem diens schepenambt aangeboden. Maar hij liet de kelk aan zich voorbij gaan en legde zich liever verder toe op de uitbouw van een inclusief welzijnsbeleid in Leeuw.
Het archief van mijn grootvader biedt een unieke kijk op het ontstaan en de uitbouw van de verschillende buitendiensten. Het omvat krantenknipsels, beleidsnota’s, persoonlijke aantekeningen en voorbereidingen van voordrachten die het mogelijk maken om in navolgende tekst een en ander te reconstrueren en historisch te kaderen.Alvorens van start te gaan wil ik nog even dit duidelijk stellen : onderhavig artikel wil zich niet uitspreken voor of tegen de recente beslissing om de diensten af te stoten. Dat 40 jaar terug een duidelijke nood was aan sociale dienstverlening zal verder in de tekst blijken. Het pas opgerichte OCMW zag zich toen genoodzaakt zélf in die diensten te voorzien. Maar tijden, inzichten en politiek veranderen nu eenmaal. Nostalgie is daarenboven nog maar zelden een goede raadgever gebleken.

De omwenteling.
In vrijwel ieder krantenknipsel of aantekening wordt verwezen naar de – toen althans – nieuwe welzijnswet van 8 juli 1976 die de OCMW’s in het leven riep. Iedere burger moest voortaan toegang krijgen tot maatschappelijke dienstverlening om ‘een leven te kunnen leiden in overeenstemming met de menselijke waardigheid’. Die dienstverlening was in beginsel onbeperkt, en net dat betekende een serieuze ommezwaai ten opzichte van de 50 jaar oudere wet op de Openbare Onderstand. Die voorzag enkel hulp aan behoeftigen of personen die onbekwaam waren om in hun onderhoud te voorzien. Meer specifiek vertaalde dat oude beleid zich in Sint-Pieters-Leeuw enerzijds in de opvang van ouderlingen, zwakzinnigen en wezen in het 100 jaar oude hospice (op de site Wilgenhof) en anderzijds in materiële steun voor mensen die nog thuis woonden. Die ‘ad-hoc-hulp’ was ook zeer concreet : een kolenbon voor brandstof, een kaart voor geneesmiddelen, betaling van de mutualiteitsbijdragen, kledij, tussenkomst in de huishuur, betaling van de schoolkolonie voor de kinderen enz. In Groot-Leeuw liep de oprichting en uitbouw van het OCMW nagenoeg gelijk met de fusie van de vijf huidige deelgemeenten. Voor de kleinere gemeenten was het overigens niet mogelijk geweest zelf een dergelijke uitgebreide dienstverlening uit te rollen. Later zou blijken dat de noden in het verstedelijkte Negenmanneke, Zuun of Ruisbroek anders lagen dan in het nog landelijke Vlezenbeek, Oudenaken of Berchem.
Bejaardenhulp aan huis.
In Leeuw heeft men de welzijnswet van 1976 alvast niet afgewacht om bejaardenhulp aan huis in te richten. De COO nam in februari 1973 al de princiepsbeslissing om een dergelijke dienst uit te rollen. Het zou evenwel nog tot oktober 1975 duren eer de vacatures werden uitgeschreven om de dienst te bemannen. In 1978 waren er 6 bejaardenhelpsters aan de slag die in 40 huishoudens ondersteuning boden. Door in te zetten op huishoudhulp wou men bejaarden zolang mogelijk in hun vertrouwde omgeving houden, eerder dan ze in een rusthuis onder te brengen. De opvang in een rusthuis was niet alleen duurder voor het OCMW, men had ook toen al onvoldoende capaciteit. Het in 1974 geopende Wilgenhof telde om en bij de 100 plaatsen, die alle volzet waren. De sociale dienst van het OCMW moesten nog plaatsen in andere rusthuizen regelen en minder fortuinlijke bejaarden op een wachtlijst plaatsen.
Een journalist van het Nieuwsblad schreef in die periode volgend schamper citaat : ‘De studiediensten van de desbetreffende ministeries leden gezichtsverlies met hun stugge houding inzake de subsidiëring van de derde verdieping, want vijf jaar na de opening hebben de OCMW-mensen al 82 bejaarden in andere rusthuizen geplaatst, zo groot is de vraag en de noodzaak. Bovendien is er een bestendige wachtlijst met 60 ingeschreven bejaarden.’ In dezelfde periode werden overigens ook plannen getekend voor een rusthuis met 76 bedden aan de sporthal in Ruisbroek, maar dat zou er nooit komen.
Verdere ontplooiing van de dienstverlening.
In 1978 wordt Sint-Pieters-Leeuw dan samen met 8 andere gemeenten uitgekozen om onder begeleiding van de Koning Boudewijn Stichting model te staan voor het vernieuwende welzijnsbeleid. Bedoeling van het project ‘Welzijnszorg’ was om het oude stigmatiserende beeld van de behoeftige die beroep doet op de Openbare Onderstand weg te werken en de veel ruimere opvattingen over maatschappelijke welzijn zoals uitgedragen door de OCMW’s te promoten. Ironisch genoeg werden nog niet zo gek lang geleden ‘sociale huizen’ opgericht om komaf te maken met het stigma van ‘OCMW-klant’. Of hoe de geschiedenis zichzelf voortdurend herhaalt …
Een team van maatschappelijk werkers kwam ter plaatse en hield tot medio 1980 allerhande onderzoeken en bevragingen. Daaruit kwam naar voren dat het merendeel (tot 2/3) van de mensen die kwamen aankloppen bij het OCMW bejaarden waren. De grootste noden situeerden zich in de verstedelijkte delen van Groot-Leeuw : Zuun, Negenmanneke en Ruisbroek. In de meer landelijke deelgemeenten zoals Vlezenbeek, Oudenaken en Berchem werd de zelfredzaamheid van de bejaarden nog meer ondersteund door de gemeenschap. Die conclusies zouden onder meer leiden tot de uitbouw van het dienstencentrum ’t Paviljoentje in Ruisbroek, dat inmiddels ook reeds meer dan 30 jaar bestaat. < zie link >
Een andere uitkomst van de bevraging was de nood aan bijkomende ondersteunende diensten om bejaarden maximaal in hun thuisomgeving op te vangen maar ook om gezinnen in een tijdelijke crisissituatie bijstand te bieden. En zo werd bijkomend werk gemaakt van een poetsdienst, bedeling van warme maaltijden aan huis, een klusjesdienst, gezinshulp en crisisopvang voor kinderen. Om dat alles te beheren werd de sociale dienst versterkt, met als taak de bejaarden en getroffen gezinnen bij te staan en te begeleiden om een geschikte oplossing voor hun noden te bieden.
De cijfers.
‘Een vriendelijke sfeer huist in het bejaardenhuis ‘Wilgenhof’ waar Groot-Leeuw gestadig met welzijnsproblemen over de vloer komt. In het Wilgenhof – het visitekaartje van het OCMW-beleid van Sint-Pieters-Leeuw – is sinds de ingebruikname op 21 september 1974 het dienstbetoon bestendig uitgebreid.’ (Nieuwsblad 20.12.1979)
Achter dit ogenschijnlijk weinig belangwekkende citaat gaan inderdaad indrukwekkende cijfers schuil. Tot voor de ingebruikname van het Wilgenhof en het uitrollen van de buitendiensten, verzorgden amper 3 (!) personeelsleden de beperkte dienstverlening in de oude COO. In een uithoek van het oude gemeentehuis (thans de hoofdbibliotheek aan de Rink) werden dossiers aan een klein tafeltje besproken en afgehandeld. Drie jaar na de oprichting telde het OCMW en het rusthuis, met inbegrip van bijzondere statuten voor werklozen (zogenaamde BTK’s), maar liefst 82 medewerkers!
De sociale dienst bestond uit 4 sociale assistenten, waarvan 2 belast waren met het uitvoeren van onderzoeken ter voorbereiding van de goedkeuring van individuele vragen om bijstand, 1 sociaal assistent coördineerde de hulp aan huis en de vierde medewerker stond in voor de plaatsing in het eigen rusthuis en bij gebrek aan plaats, in andere rusthuizen. In het eerste kwartaal van 1978 had de dienst 4.000 contacten gehad (telefoon, gesprek, brief… ) om dossiers te behandelen. Tot 80 individuele dossiers werden besproken op het tweewekelijks vast bureau. De vraag om bijstand was amper bij te houden: per 10 dossiers kwamen 4 nieuwe bij, terwijl er maar 2 afgesloten konden worden.
De dienst bejaarden- en gezinshulp sprong bij in het huishouden van 5 gezinnen in crisissituatie en van een 40-tal bejaarden. Gemiddelde werd 8 uur per week en per plaats gepresteerd. Jaarlijks werden 7.000 warme maaltijden aan huis bezorgd. De poetsdienst had met 80 klanten al vrij snel haar limieten bereikt. 11 huishoudens stonden op een wachtlijst. De klusjesdienst bestond uit een metser, een loodgieter, een elektricien, een tuinman en een schilder-behanger. Sinds de oprichting hadden ze 130 interventies gedaan. De crisiskinderopvang tot slot deed beroep op een poel van een 15-tal vrijwilligers. Voor verpleging aan huis werd gebruik gemaakt van de diensten van het Wit-Gele Kruis. Het OCMW kwam dan tussen voor minderbedeelde patiënten. In 1978 deden uiteindelijk 1.265 inwoners (zo’n 5% van de bevolking) een beroep op de nieuwe diensten van het OCMW. Aandacht voor welzijn was dus méér dan nodig.