2009-01-05-voederen-vogels’s Winters geraken vogels moeilijk aan voedsel. Dan hebben ze juist extra veel energie nodig om hun lichaamstemperatuur op peil te houden. Insecten zijn grotendeels verdwenen en bessen vaak al op. Regen en sneeuw maken het de zaadeters moeilijk om bij hun voedsel te komen. Het bijvoederen van vogels in de winter is bij veel mensen dan ook een populaire bezigheid.

Niet alleen help je de vogels om barre tijden door te komen, je krijgt er een schitterend schouwspel voor terug! Vogels die vaak verscholen blijven of in een flits voorbij vliegen, laten zich nu gemakkelijk bekijken. Als dat geen win-win situatie is… Voor een goede start geeft Natuurpunt je graag een aantal handige tips!

Tips voor het voederen:

* Voederen mag op bescheiden schaal het hele jaar (bijvoorbeeld met zaden), maar het is pas echt nodig als het langdurig vriest en/of sneeuwt.
* Voeder niet teveel tegelijk en liefst ’s ochtends (na een lange, koude nacht hebben vogels behoefte aan een stevig ontbijt) en tegen het einde van de middag (zo kunnen ze de nacht doorkomen). Overdadig voederen kan muizen en ratten aantrekken.
* Geef geen voedsel waarin zout is verwerkt. In de kaas en het brood dat je voedert zit al meer dan genoeg zout.
* Voeder zeker geen margarine of boter, die werken als laxeermiddel.
* Voedsel dat makkelijk bevriest, zoals appels, voeder je best als geheel en niet in kleine stukjes.
* Voeder nooit vet en pinda’s in de tijd dat vogels jongen hebben! De jongen van de meeste zangvogels eten insecten.

Water:

In de winter is water even belangrijk als voldoende voedsel. Wanneer het gesneeuwd heeft, is het niet nodig voor water te zorgen. De vogels komen dan aan vocht door van de sneeuw te pikken. Bij vorst zet u best een bakje met water buiten (nooit zout in het water doen).

Elke vogelsoort eet zoals hij gebekt is.

Merel, kramsvogel, koperwiek, zanglijster en spreeuw.
Brood, gewelde krenten en rozijnen, kaasresten, fruit, schillen en klokhuizen, alle soorten bessen, gekookte aardappelen.
Op de grond, sneeuwvrij, een open plek met beschutting dichtbij.

Koolmees, pimpelmees, matkop, kuifmees, zwarte mees en staartmees.

Vetbollen, slingers ongebrande, ongezouten pinda’s, halve kokosnoot, vogelzaad en zonnebloempitten.
Op de voedertafel, voederbuis, opgehangen in bomen of struiken.

Specht, boomklever en boomkruiper.
Ongezouten pinda’s en noten, vetbollen, zonnebloempitten, kaas zonder korst.
Eventueel vastgemaakt aan een boomstam op een rustige plek.

Huismus, ringmus, sijs, distelvink, vink, keep en groenling.
Bruin brood, onkruidzaden, gemengd strooizaad, etensresten, zonnebloempitten.
Op de grond, voedertafel, voederbuis.

Winterkoninkje, heggenmus en roodborstje.

Universeel voer, bessen, meelwormen, broodkruimels, maden en larven, ongekookte havermout.
Op de grond, sneeuwvrij, mag ook beschut onder heggen en struiken.

Bron en meer info via: www.natuurpunt.be

%d bloggers liken dit: